Spelregels

De originele spelregels van Hakobal

De uitleg en spelregels Hakobal, zoals in 1968 opgetekend door Jaap Akkerhuis en gepubliceerd in het vaktijdschrift “De Lichamelijke Opvoeding”.

(De orginele tekst is enigszins aangepast)

Van waar de naam?

Hakobal is een spel, dat zijn oorsprong vindt in twee bestaande spelen namelijk handbal en korfbal. Ik zou geen kwaad woord van deze beide spelen kunnen zeggen, in tegendeel.

Toch leveren deze sporten bezwaren voor onze schooljeugd op. Bij handbal speelt de wedstrijd zich grotendeels af voor één van beide doelen en van korfbal is er het bezwaar, dat het maken van een doelpunt voor leerlingen een zeer moeilijke opgave is.

Door deze bezwaren is het spel hakobal geboren. De speelwijze van korfbal gecombineerd met het doelen zoals bij handbal geven zowel voor de deelnemer als voor de toeschouwer van dit spel vele spectaculaire momenten.

Hoe is het speelveld?

Elke gymnastiekzaal van redelijke afmeting is geschikt. We gaan uit van enkele standaardmaten: oppervlakte zaal: 12 X 21 m. Op twee meter van de beide korte zijden van de zaal worden de aanvalslijnen getrokken.

Op de middenlijn staat een doel: groot 2 meter en hoog 2.50 meter. (Afhankelijk van de ge­oefendheid en vooral de kracht waarmee gedoeld wordt , kan het doel groter of kleiner gemaakt worden ).

Het doel wordt gevormd door bijvoorbeeld twee hoogspringstandaards met daartussen op de juiste hoogte een touw gespannen.

Elke partij heeft drie  speelvakken, te weten: een verdedigingsvak, een tussen vak en een aanvalsvak. Aan weerszijden van het doel staat van elke partij één doelverdediger, in elk vak staan twee spelers van een team. Naast de doelverdediger heeft elk team dus twee verdedigers, twee tussenvakkers en twee aanvallers.

(zie tekening ).

hakobal speelveld

  • A  –  aanvalslijn
  • M –  middenlijn
  • x1 –  doelverdediger
  • x2  – verdediger
  • x-3 – tussenvakker
  • x4 –  aanvaller
  • o1 –  doelverdediger
  • o2  – verdediger
  • o3 –  tussenvakker
  • o4 – aanvaller

Hoe verloopt hakobal?

We hebben twee partijen , rood en wit. De rode doelverdediger begint met de bal. Deze speelt naar  één van zijn verdedigers. De verdediger speelt de bal over of langs het doel naar het tussenvak, vervolgens speelt de tussenvakker naar zijn aanvalsvak. Alleen de aanvallers mogen een doelpoging doen en scoren.

Na een doelpunt wordt het spel hervat bij de doelverdediger, die de bal heeft doorgelaten.

(Zie tekening).

tekening hakobal_uitnemen

 

Taken per vak

Taak verdedigingsvak.

  1. Bij balbezit de bal zo snel mogelijk naar de tussenvakker spelen (foto’s 1 en 2).
  2. Trachten de bal te onderscheppen tijdens het samenspel van de tegenpartij.
  3. Het scoren van de tegenpartij trachten te beletten door zo dicht mogelijk bij de aanvalslijn te gaan staan met de handen geheven voor de aanvaller ( zie foto 3).

Taak tussenvak.

  1. De bal, uit het verdedigingsvak ontvangen, zo spoedig mogelijk in het aanvalsvak brengen.
  2. Trachten de bal, welke de doel­verdediger van de andere partij naar zijn verdediger werpt , te onderscheppen.

Taak aanvalsvak.

De bal, uit het tussenvak ontvangen, in het doel werpen door al samen­ spelend en vrijlopend in het aanvalsvak een opening tussen de verdedigers van de andere partij te vinden.

Spelregels

Algemene spelregels

  1. Met de bal mag niet worden gelopen.
  2. De bal mag niet vallend worden bemachtigd.
  3. Er mag geen vak worden overgeslagen.
  4. Niet te zwaar hinderen: iemand met de bal mag niet door twee of meer personen gehinderd worden; bovendien mag de balbezitter niet dichter dan een halve meter benaderd worden.
  5. Niet met de voet of vuist spelen.
  6. Elke speler moet in zijn eigen vak blijven.
  7. Er mag alleen met een bovenhandse strekworp worden gedoeld. Een onderhandse-  of slingerworp is verboden.

Bij schending van deze regels volgt altijd een vrije worp op de plaats van overtreding.

Wanneer wordt er een strafworp genomen?

  1. Wanneer de verdediger dóór zijn eigen doel naar één van de tussenvakkers gooit.
  2. Wanneer de verdediger ( tijdens het verdedigen van de aanval­lers van de tegenpartij ) met de voeten over de aanvalslijn komt.

Wanneer wordt er een vak overgeslagen?

  1. Wanneer de  doelverdediger direct naar zijn tussenvak werpt in plaats van naar zijn verdediger.
  2. Wanneer de verdediger direkt naar het aanvalsvak werpt zonder dat de bal door iemand in het tussenvak is geraakt ( tegenpartij krijgt dan een vrije worp op de aanvalslijn).

Men mag nooit opzettelijk naar een vak terugspelen, bijvoorbeeld van het tussenvak naar het verdedigingsvak.

Een aanvaller kan met zijn worp nooit een vak overslaan. Van hem wordt verwacht, dat hij op het doel schiet. Is zijn worp langs het doel gegaan dan gaat het spel gewoon verder gaan waar de bal is terechtgekomen.

Het is zeker niet denkbeeldig, dat de bal van het ene aanvalsvak langs of over het doel in het andere aanvalsvak belandt.

Het is de tussenvakkers verboden de keeper te hinderen of zijn gezichtsveld te verkleinen door voor hem of in de baan van het schot te gaan staan en dan plotseling weg te duiken.

Wanneer en hoe wordt er gewisseld?

Dit kan men natuurlijk doen naar eigen inzicht, afhankelijk van de geoefendheid.

Normaal wisselen we na twee doelpunten: de doelverdediger blijft staan, de verdedigers gaan naar het tussenvak, de tussenvakkers naar het aanvalsvak, de aanvallers naar het verdedigingsvak.

Praktische toepassing

Hoewel een hakobalteam uit zeven personen bestaat, kan dit spel op de scholen natuurlijk met meerdere spelers of speelsters worden gespeeld.

Uiteraard hangt dat veel af van de grootte van de zaal. Om het spel speelbaar te houden moet men in een zaal van 10 X 20 m toch niet meer dan 4 spelers per partij in één vak hebben. Van een klas van 26 kinderen kunnen dus nog wel 2 partijen gemaakt worden.

Ideaal voor hakobal is het aantal van 14 leerlingen, maar in onze hogere klassen komen ook kleinere aantallen voor. Het minimale aantal is 12. Dan spelen we met één aanvaller, na een wisseling is er ook één speler naar een volgend vak gegaan.

Materiaal voor hakobal

  1. Als er nog geen permanente lijnen aanwezig zijn : krijt.
  2. Hoogspringstandaards + een elastiek
  3. Handbal no. 3: voor meisjes een dameshandbal en voor jongens een herenhandbal.
  4. Partij linten.

Binnen een minuut kan men een speelveld gereed hebben.

Veiligheid

Het is zeer belangrijk de leerlingen te wijzen op de manier van juist verdedigen en correct aanvallen. Wanneer de aanvallers ongecontroleerd gaan smijten en de verdedigers het lichaam en vooral het hoofd onbeschermd laten, kunnen er blessures ontstaan.

Uit veiligheidsoogpunt worden de onderhandse strekworpen en de zgn. slingerworpen van de aanvallers niet toegestaan.

Techniektraining

Zoals bij alle samenspelvormen zien de kinderen in het begin wel hun teamgenoten, maar de tegenstanders, die er vlak naast staan, worden over het hoofd gezien. Zó samenspelen, dat de tegenstanders de bal niet kan bemachtigen is de belangrijkste spelopgave: leren vrijlopen.

Naarmate de balvaardigheid en het inzicht groter worden, wordt hakobal interessant en zeer spectaculair. Oefening in schijnbewegingen, hard en gericht werpen, sprong- en duikworpen wordt zeer zinvol.

Hakobal kan natuurlijk ook buiten worden gespeeld. De snelheid wordt dan wel iets uit het spel gehaald, omdat men buiten de zijlijnen moet gaan werken, doordat we met uitballen te doen krijgen. Voorlopig is hakobal meer geslaagd als zaalsport.

In één les van 50 minuten kan iedereen het spel leren en ook spelen en “last but not least”: met veel enthousiasme.

tekst: Jaap Akkerhuis

bron:  De Lichamelijke Opvoeding, Orgaan van de Koninklijke Vereniging van Leraren en Onderwijzers in de Lichamelijk Opvoeding. No. 8 / 56e jaargang / 20 april 1968, pagina 312-317.